|
3023 |
De strijd in België (4 augustus 1914 - 11 november 1918) |
Wat er vooraf gebeurdeIn 1904 was het Duitse aanvalsplan echter in België uitgelekt. De koning en de legerleiding drongen op een verhoging van militaire inspanningen aan en in 1908 werd de legerkwestie onder de loep genomen. Onder leiding van regeringsleider Frans Schollaert en minister van Oorlog generaal Albert Hellebaut werd een legerhervorming voorbereid en op 1 december 1909 ging een persoonlijke dienstplicht gaat van kracht. In 1913 maakte Koning Albert I in Berlijn een verontrustend incident mee. Keizer Wilhelm II deelde hem mee, dat een oorlog met Frankrijk onvermijdelijk was. Verderop aan tafel hoorde hij dat de Duitse opperbevelhebber Helmuth von Moltke sprak dat het een dwaasheid zou zijn als België verzet zouden bieden bij een Duitse doortocht. Albert besloot nogmaals naar Frankrijk en Duitsland af te reizen om de Belgische neutraliteit te bepleiten en te waarschuwen voor verzet als er een oorlog zou uitbreken tussen de twee landen. Op 28 mei 1913 voerde de minister van Oorlog, Charles de Broqueville, de veralgemeende dienstplicht in België om de legersterkte van 180.000 man naar 340.000 te verhogen. Dit getal zou echter nooit gehaald worden, ondanks dat hij de Vlaamse katholieken verplichte tweetaligheid van het officierenkorps had beloofd en probeerde de publieke opinie tevreden te houden met het systeem van regionale recrutering. Nadat Duitsland officieel bekend maakte de Belgische neutraliteit niet te zullen eerbiedigen draaiden ook zijn fervenste tegenstanders bij. Op 21 juli 1914 kondigde België de algemene mobilisatie af. Het veldleger bestaat uit 6 divisies, 1 cavaleriedivisie (4.500 ruiters) en legertroepen. Het veldleger bestond formeel uit 143.000 man, maar 40.000 waren er niet komen opdagen. Verder waren er 14.000 beroepsmilitairen, 65.000 in het vestingsleger en 190.000 rijkswachters en leden van het officierskader. Verder beschikt het leger over 37.600 paarden, 2.600 wagens en 1.500 auto's. Het veldleger beschikte over 93.000 geweren, 6.000 sabels, 324 kanonnen en 102 machinegeweren. Het kader had geen ervaring en er bestond geen opleiding voor soldaten zodat ze met hun verschillende uniformen en zonder wapens een ordeloze troep vormden. De infanterie beschikte niet over voldoende zwaar geschut. Eensgezindheid omtrent de verdediging was ver te zoeken. Luitenant-generaal Selliers de Moranville wilde het leger terugtrekken naar Antwerpen dat als bevoorradingsplaats dienst kon doen terwijl vestingtroepen in Luik en Namen de Duitse opmars zouden belemmeren. Kolonel Baron de Ryckel wilde daarentegen het veldleger positie laten nemen tussen de Ourthe en de Duitse grens met later eventueel terugtrekking tot Antwerpen. Koning Albert I koos uiteindelijk voor een legerconcentratie op de linkeroever van de Maas, met Antwerpen als basis voor bevoorrading. Op 2 augustus 1914 schreef Koning Albert I een persoonlijke brief aan de Duitse keizer, in een laatste poging het onheil af te wenden. Om 19:00 uur kwam er als antwoord een ultimatum waarin werd meegedeeld dat Frankrijk Duitsland zou aanvallen door België en dat België niet in staat zou zijn deze aanval af te weren. Duitsland vroeg toestemming door België heen te trekken om Frankrijk tegen te houden... Op datzelfde moment passeerden de Duitsers reeds de Luxemburgse grens. De Luxemburgse regering ontving een telegram waarin stond dat Duitsland op de hoogte was van de Franse optocht naar Luxemburg en dat Duitsland daarom uit zelfverdediging de Luxemburgse neutraliteit moest schenden. Diezelfde dag nog was Luxemburg in Duitse handen. Koning Albert I gaf op 3 augustus 1914 een ontkennend antwoord aan Duitsland nadat hij de bevestiging voor gewapende steun had ontvangen van Groot-Brittannië en Frankrijk. Als antwoord hierop verklaarde Duitsland Frankrijk de oorlog. Op 4 augustus verklaarde Duitsland België de oorlog. De aanval werd geleid door het 1e Duitse leger onder generaal Alexander von Kluck en het 2e leger van generaal Karl von Bülow. Om 7:30 uur vallen ze binnen bij Gemmenich, bij Luik. En terwijl de Belgische legertop ruzie maakte over de verdediging van Luik, naderden 34.000 Duitsers (met 125 stukken geschut) de forten rond Luik onder leiding van generaal Von Emmich. In het Belgische parlement sprak de koning om 10:00 uur het parlement toe. Hij vroeg de politieke onenigheid te negeren voor de duur van de oorlog en keurde 200 miljoen frank oorlogskredieten goed. 's Middags besloot de Kroonraad een beroep te doen op de toegezegde Britse, Franse en Russische steun. Via Hombourg bereiken de Duitsers Visé. Toen ze een bruggenhoofd over de Maas probeerden te slaan werden ze door artillerie vanuit het fort van Pontisse teruggedreven. Als represaille haalden de Duitsers alle bewoners uit hun huizen en brachten ze naar het station. De woningen werden in brand gestoken, de vrouwen moesten de stad verlaten en ongeveer 600 mannen werden naar een kamp in Münder gebracht. 36 mensen worden neergeschoten. Om 23:00 uur gebood Groot-Brittannië in een ultimatum Duitsland België te verlaten en verklaarde na weigering de oorlog aan Duitsland. De Britse Veldmaarschalk Horatio Kitchener geeft het bevel het Kanaal over te steken. Op 5 augustus om 22:00 uur opende generaal Otto von Emmich een aanval op de forten rond Luik. Deze vormden een blokkade voor het Duitse 1e en 2e leger in hun opmars naar Frankrijk. De Duitse 38e en 43e brigades probeerden in het zuiden tussen Boncelles en de Ourthe door te breken. De Duitse 34e brigade stak in het noorden bij Lixhe de Maas over. De Belgische generaal Leman trekt zich met zijn hoofdkwartier in de Citadel terug. 's Nachts begon de werkelijke aanval op Luik. Op 20 augustus 1914 viel Brussel in handen van het Duitse 4e legerkorps onder generaal Sixt von Arnim. Het Duitse 1e, 2e en 3e leger trokken verder België binnen. De Duitsers stuurden 60.000 man naar Antwerpen om de Belgische koning en zijn troepen daar vast te houden terwijl de rest van hun troepen naar de Frans-Belgische grens oprukte. Vanaf 20 augustus tot 25 augustus woedde de Slag der Grenzen tussen de Ardense regio en het noorden van Metz. Op 25 augustus 1914 doodden de Duitsers in Leuven 218 burgers en brandden ze de stad gedeeltelijk plat. Koning Albert I organiseerde een uitval naar Haacht en het Duitse garnizoen was even van zijn stuk gebracht. 's Avonds kwam het Duitse bevel de stad te vernietigen. De Duitse troepen zetten vele eeuwenoude gebouwen (bv. de universiteitsbibliotheek) in brand en gijzelden de inwoners. 173 Leuvenaars werden gefusilleerd. De Belgische 4e divisie trok zich op 2 september terug tot Antwerpen om zich bij de rest van het leger te voegen. En toen op 9 september de Britse Lt. Commander Littlejohns arriveerde met 6 kanonnen van 12 cm en van 15 cm lanceerde koning Albert I een aanval op de Duitse strijdkrachten. De Duitse keizer schrok van dit initiatief en beval de inname van de Antwerpse haven. De kanonnen werden opgesteld op treinen in de spoorwegplaatsen te Hoboken. 70 Belgische militairen zouden de trein bemannen onder bevel van Kapitein Servais. Op 23 september vertrok het eerste spoorwegkanon om samenwerkend met een vliegtuig de vijandelijke stellingen te bombarderen. Op 27 september veroverden de Duitsers Mechelen op 27 september en daarmee was de Duitse aanval op Antwerpen geopend. De volgende dag beschoten de Duitsers de forten rond Antwerpen met granaten en twee dagen later bereikten de Duitsers de eerste bruggen. Vanuit Fort Walem werden zij echter onder vuur genomen. Een Duitse granaat kwam in het munitiemagazijn terecht en het fort was niet meer. Ook Fort Sint-Katelijne-Waver werd na 30 uur beschietingen ijlings verlaten. Enkele dagen later (2 oktober) gaf Albert I opdracht tot de terugtrekking tot Oostende omdat hij vreesde dat Antwerpen het niet langer zou uithouden. De volgende dag arriveerden de Britten in Oostende en staken zij de bevolking en het leger een hart onder de riem. Toen Winston Churchill op 4 oktober Antwerpen bezocht, was het echter te laat om de Duitsers nog tegen te kunnen houden. De Belgische verdediging van de Antwerpse haven was zwaar toegetakeld en moest worden geëvacueerd. 's Nachts staken de Belgische verdedigers heimelijk de Schelde over en de volgende dag vertrokken ook de Belgische regering en het Corps Diplomatique naar Oostende. Op 10 oktober was de val van Antwerpen een feit. Admiraal Von Schroeder was de nieuwe Duitse militaire gouverneur van de stad. Op 12 oktober rukten de Duitsers Gent binnen en de volgende dag wapperde de Duitse vlag op het stadhuis. De Franse, Britse en Belgische troepen stelden zich nu op achter het riviertje de IJzer en de Ieperlee. Uitgeput groeven zij zich in in spoedloopgraven onder de belofte van hun oversten spoedig naar huis terug te mogen keren. De Slag om de IJzer kon beginnen... De Britten bezetten Ieper vanaf 14 oktober 1914. De Slag van Langemark luidde op 21 oktober het begin van de Eerste Slag om Ieper in. Pas toen het Duitse oppercommando op 22 november besloot het offensief te staken was de slag gestreden. De Tweede Slag om Ieper ging op 17 april 1915 van start, toen zware mijnladingen onder de Duitse stellingen op heuvel 60 tot ontploffing werden gebracht. Tijdens deze slag makten de Belgen kennis met een nieuw wapen: chloorgas, ook wel mosterdgas of yperiet genoemd. Nadien kregen de troepen gasmaskers mee. Soms zelfs twee: als het ene niets uithaalde, kon het andere misschien helpen... Na de Tweede Slag om Ieper, bleven de Duitsers en geallieerden de komende jaren toch kleine uitvallen doen om enkele meters grond te bemachtigen. Op 18 juli 1915 werd door de Britse 175e Tunneling Company Royal Engineers een ondergrondse mijn van 1 750 kg Ammonal tot onploffing onder de Duitse uitkijkpost in 't Hooge, waarbij er een krater ontstond van 40 m diameter en 16 m diepte. De Britten namen de krater onmiddellijk in, maar op 30 juli moesten ze de krater vrijgeven, omdat ze werden bestookt door Duitse vlammenwerpers. Op 2 juni zetten de Duitsers een groot offensief (De Strijd om Mount Sorrel) vanuit hun stellingen op heuvel 60. Het leverde hun aanvankelijk veel winst, maar die moesten ze deels weer prijsgeven, na hevige Canadese tegenaanvallen. Uiteindelijk was op 6 juni het gebied tussen Hill 60 en Hill 62 in Duitse handen. Op 12 juni 1916 zette de Canadese infanterie de tegenaanval in. Ze verrasten de Duitsers midden in de nacht. Enkele uren en honderden slachtoffers later was heuvel 62 terug in Canadese handen. Op 7 juni 1917 ontploften 19 dieptemijnen onder 21 Duitse stellingen op de heuvelrug van Mesen. De Duitsers waren zo onder de indruk dat ze bij de Britse infanterieaanvallen op de vlucht sloegen. De dieptemijnen waren geplaatst als voorbereiding op een groot offensief, de Derde Slag om Ieper, die was gepland om de Duitse linies tussen de Noordzee en de Leie te doorbreken. De Britten veroverden de heuvel ten koste van 17.000 manschappen. De Duitsers verloren 25.000 soldaten. Op 11 juli begonnen de Britten een luchtoffensief boven Ieper om de Duitsers uit de lucht te halen voor hun offensief dat gepland was tegen het eind van de maand. Ze bombardeerden ook de Duitse loopgraven buiten de stad. Met de Slag om Passendale ging op 31 juli 1917 de Derde Slag om Ieper van start. De Britse generaal sir Douglas Haig vermoedde dat deze slag de Duitsers eindelijk zou doen wankelen. Er stonden op dat moment bijna een miljoen manschappen tegenover elkaar. De slag zou tot 10 november 1917 duren. Op 1 maart 1918 bezetten de Duitsers Diksmuide, als oefening voor een gepland goot Duitse offensief voor 18 maart 1918. Zo werd de Vierde Slag om Ieper gestreden. Op 11 november 1918, 11 uur in de ochtend werd er een wapenstilstand afgekondigd. Aan alle offensieven kwam een eind en enkele dagen later begonnen de Duitsers zich terug te trekken uit de Franse en Belgische streken die ze nog bezetten. Op 20 november passeerde de Amerikanen de Luxemburgse grens in de richting van Duitsland. Het begraven van de doden kan beginnen. Gemaakt: 16-10-04 |